Geruisloze zusterfusies: fiscale neutraliteit wettelijk verankerd
Recent heeft de wetgever de fiscale neutraliteit van geruisloze zusterfusies zonder uitgifte van nieuwe aandelen wettelijk verankerd. Hiermee komt een einde aan een periode van onzekerheid rond de fiscale behandeling van dergelijke fusies. Toch blijft de vraag of geruisloze zusterfusies die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regels zijn doorgevoerd, alsnog fiscale neutraliteit kunnen genieten.
Situering
Naar aanleiding van de omzetting in het Belgisch vennootschapsrecht van de Europese Mobiliteitsrichtlijn (2019/2121/EU) werden eind 2023 de fiscale definities van artikel 2, §1, 6°/1 WIB 1992 betreffende fusies, splitsingen en met fusies en splitsingen gelijkgestelde verrichtingen aangepast. In dat kader werd de definitie van “verrichting gelijkgesteld met een fusie door overneming” uitgebreid met de vereenvoudigde zusterfusie. Voordien was deze definitie beperkt tot de geruisloze moeder-dochterfusie (artikel 2, §1, 6°/1, tweede lid, c, 2) WIB 1992). Vandaag wordt de vereenvoudigde zusterfusie omschreven als “de rechtshandeling waarbij de activa en de passiva van het vermogen van een vennootschap, als gevolg van haar ontbinding zonder vereffening, in hun geheel overgaan op een andere vennootschap zonder uitgifte van aandelen door deze laatste vennootschap wanneer al de aandelen en andere stemrechtverlenende effecten uitgegeven door de overgenomen en overnemende vennootschappen in handen zijn van één en dezelfde persoon of wanneer de vennoten of aandeelhouders in de fuserende vennootschappen hun effecten en aandelen in alle fuserende vennootschappen voor de fusie in dezelfde verhouding aanhouden.”
Deze toevoeging was noodzakelijk om te vermijden dat als gevolg van artikel 209 en 210, §1, 1° WIB 1992, een vereenvoudigde zusterfusie fiscaal zou beschouwd worden als een ontbinding en vereffening. De wetgever liet toen echter na om ook andere wetsartikelen die specifiek betrekking hebben op (met) fusie door overneming (gelijkgestelde verrichtingen), aan te passen aan het feit dat een vereenvoudigde zusterfusie geen aandelenuitgifte omvat. Dit probleem stelde zich niet enkel op het vlak van directe belastingen, maar ook wat registratierechten betreft.
Bij een vereenvoudigde zusterfusie wordt er geen vermindering aangerekend op het gestorte kapitaal en de gereserveerde winst. Vrijgestelde reserves blijven onbelast in de mate dat ze worden overgenomen.
Nieuw wetsvoorstel
Om dit probleem op te lossen, werd begin 2025 een wetsvoorstel ingediend bij de Kamer “tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wat betreft fiscaal neutrale reorganisaties”. Na talloze opmerkingen van de Raad van State werd het voorstel uitgebreid en aangepast. Op 23 oktober 2025 volgde de finale stemming in de Kamer. Intussen is de Wet van 30 oktober 2025 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad (B.S., 24 november 2025).
Wetswijzigingen
Samengevat kunnen we de voornaamste wetswijzigingen als volgt omschrijven.
(a) Op het vlak van directe belastingen:
- In de fiscale definities en een aantal andere artikelen van het WIB 1992 worden – op aangeven van de Raad van State – de termen “bedrijfsafdeling” en “tak van werkzaamheid” vervangen door de term “bedrijfstak”. Deze term wordt omschreven als “een geheel dat op technisch en organisatorisch gebied een autonome activiteit uitoefent en op eigen kracht kan werken”;
- In de personen- en vennootschapsbelasting worden een aantal zaken verduidelijkt op het vlak van de aanschaffingswaarde van de aandelen na een vereenvoudigde zusterfusie. Zo wordt een nieuw tweede lid toegevoegd aan artikel 102 WIB 1992. Dit nieuwe lid omschrijft de meerwaarde op aandelen in de personenbelasting, waarin wordt gesteld dat de aandelen in een overnemende vennootschap als gevolg van een vereenvoudigde zusterfusie als aanschaffingswaarde hebben: de waarde waartegen de belastingplichtige (of zijn rechtsvoorganger) de aandelen in de betrokken overnemende vennootschap onder bezwarende titel heeft verkregen, verhoogd met de aanschaffingswaarde waartegen de belastingplichtige (of zijn rechtsvoorganger) de aandelen in elke overgenomen vennootschap onder bezwarende titel heeft verkregen.
- In de vennootschapsbelasting verduidelijkt de wetgever in artikel 192, §1, zevende lid, 2° WIB 1992 inzake meerwaarden op aandelen hoe de houdperiode van tenminste één jaar bepaald moet worden bij afwezigheid van uitgifte van nieuwe aandelen. Het deel van de waarde van de aandelen in de overnemende vennootschap dat voortkomt uit de aanschaffingswaarde van de aandelen in de overgenomen vennootschap, wordt geacht verkregen te zijn op de datum waarop de aandelen in de overgenomen vennootschap zijn verkregen. Het deel dat niet voortkomt uit de aanschaffingswaarde van de aandelen in de overgenomen vennootschap, wordt geacht verkregen te zijn op de datum waarop de aandelen in de overnemende vennootschap zijn verkregen;
- In artikel 210 WIB 1992 dat belaste fusies of splitsingen fiscaal gelijkstelt met een ontbinding en vereffening, wordt in paragraaf 4 – die stelt dat het door inbreng gestorte kapitaal bij een belaste verrichting overeenstemt met de werkelijke waarde van het ingebrachte vermogen – een onderscheid gemaakt tussen de vereenvoudigde zusterfusie zonder uitgifte van nieuwe aandelen en andere verrichtingen, waarbij voor die laatste de gelijkstelling slechts geldt in de mate dat de inbrengen met nieuw uitgegeven aandelen worden vergoed;
- In artikel 211 WIB 1992, dat betrekking heeft op belastingneutrale fusies of splitsingen, wordt in §1, eerste lid, 2° de geruisloze zusterfusie toegevoegd aan de transacties zonder uitgifte van nieuwe aandelen die een vrijstelling van belasting kunnen genieten, op voorwaarde dat de aanwezige vrijgestelde reserves worden overgenomen. Tegelijk zal er bij een vereenvoudigde zusterfusie zonder uitgifte van nieuwe aandelen geen vermindering van het gestorte kapitaal en de gereserveerde winst optreden (nieuw lid 4 van artikel 211, §2 WIB 1992). Om dezelfde reden wordt een gelijkaardige uitzondering voorzien in artikel 184bis, §4, derde lid WIB 1992 in geval van een fusie door overneming van een intra-Europese zusterfusie.
(b) Op het vlak van registratierechten:
- In artikel 117, §1, tweede lid, 2° W. Reg., dat in een vrijstelling voorziet van het inbrengrecht in geval van inbreng van de universaliteit van goederen bij fusie of splitsing of anderszins, maakt de wetgever een uitzondering op de voorwaarde dat de inbreng uitsluitend vergoed wordt door toekenning van aandelen of deelbewijzen voor de geruisloze moeder-dochterfusie, samen met de vereenvoudigde zusterfusie die door artikel 12:7 WVV worden gelijkgesteld met een fusie door overneming. Hiermee wordt na negentien jaar een wettelijke grondslag gegeven aan het standpunt dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 9 maart 2006 innam over geruisloze moeder-dochterfusies.
Tegelijk wordt de verwijzing in artikel 116 en 117, §1 eerste lid W. Reg. naar het inbrengrecht van 0% in artikel 115 (roerende goederen) uitgebreid naar artikel 115bis (onroerende goederen, andere dan woningen). Deze aanpassing zet een eerdere vergetelheid in de vroegere wetgeving recht;
- Artikel 117, §2 W. Reg., dat in een vrijstelling omvat van het inbrengrecht in geval van inbreng van één of meer bedrijfstakken, voorziet voortaan ook in een vrijstelling van het inbrengrecht op roerende en onroerende goederen bij rechtshandelingen die door artikel 12:8, 2° WVV worden beschouwd als met splitsing gelijkgestelde rechtshandelingen. Het gaat in dit geval om de geruisloze partiële splitsing, waarbij een deel van het vermogen van een vennootschap zonder ontbinding overgaat op een andere vennootschap die reeds al haar aandelen en andere stemrechtverlenende effecten bezit.
Waar de nieuwe wetgeving geen mouw aan past, is de fiscale neutraliteit van een vereenvoudigde zusterfusie, waarbij de deelnemingen in de zustervennootschappen ook onrechtstreeks aangehouden worden. Waar dit vennootschapsrechtelijk ook een vereenvoudigde zusterfusie uitmaakt, zal deze geen fiscale neutraliteit kunnen genieten op basis van de fiscale definitie in artikel 2, §1, 6°/1, tweede lid, c, 2) WIB 1992.
De vrijstelling van inbrengrecht geldt nu ook wettelijk bij geruisloze moeder-dochterfusies en vereenvoudigde zusterfusies.
Inwerkingtreding
De wet trad in werking op 25 november 2025, ofwel de dag volgend op de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad. Er geldt geen retroactiviteit.
Vraag is dan ook hoe de fiscale administratie zal kijken naar de vereenvoudigde zusterfusies die al hebben plaatsgevonden sinds 16 juni 2023 (de datum waarop de vereenvoudigde zusterfusie is ingevoerd in het vennootschapsrecht). Oorspronkelijk voorzag het wetsvoorstel in een retroactieve inwerkingtreding met ingang van 16 juni 2023. Deze retroactiviteit stuitte echter op zware kritiek van de Raad van State, waardoor het wetsvoorstel nadien werd aangepast.
Het zou wenselijk zijn dat de administratie der directe belastingen een duidelijk standpunt zou innemen over de fiscale neutraliteit van de tot 24 november 2025 uitgevoerde vereenvoudigde zusterfusies. Wat de registratierechten betreft, is dit al gebeurd bij een administratieve beslissing van 11 maart 2024 (rep. RJ, R 117, §1/10-03). In deze beslissing lezen we dat de visie van het Hof van Cassatie van 2006 op het vlak van geruisloze moeder-dochterfusies mutatis mutandis ook kan toegepast worden op de vereenvoudigde zusterfusie.






