De voorwaardelijke verrekening van roerende voorheffing op DBI-Bevek dividenden
De verrekening van roerende voorheffing op DBI-Bevek dividenden is voortaan voorwaardelijk: ze staat of valt met het toekennen van een minimale bezoldiging aan minstens één bedrijfsleider in het jaar van de inkomsten.
Fiscaal aantrekkelijke belegging voor vennootschappen
Een DBI-Bevek is een fiscaal aantrekkelijke belegging voor vennootschappen. De DBI-Bevek is een beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal die belegt in beursgenoteerde effecten.
De DBI-Bevek is interessant omdat de voorwaarden met betrekking tot permanentie en minimumparticipatie voor de DBI-aftrek niet gelden voor de dividenden van een DBI-Bevek. U moet de aandelen dus niet voor minimaal 1 jaar in volle eigendom houden, terwijl ook de deelnemingsvoorwaarden niet nageleefd moeten worden (10% of 2.500.000 EUR, en voor grote vennootschappen ook een financieel vast actief).
De DBI-taxatievoorwaarde wordt verondersteld te zijn nageleefd bij een jaarlijkse uitkering van tenminste 90% van de netto-inkomsten door de DBI-Bevek, waarbij de dividenden en de meerwaarden die de DBI-Bevek zelf geniet, “in zover en in de mate dat” (artikel 203, §2, lid 2 WIB 1992), voortkomen uit aandelen waarvoor er een DBI-aftrek en een vrijstelling van de meerwaarden geldt.
De bepaling “in zover en in de mate dat” leidt ertoe dat er in de regel slechts een gedeeltelijke DBI-aftrek geldt. Meestal is dat een hoog percentage dat terug te vinden is op het jaarlijkse attest dat de financiële instelling aan de beleggende vennootschap uitreikt.
De roerende voorheffing op dividenden van DBI-Beveks waarvoor er een DBI-aftrek gevraagd wordt, kan enkel verrekend worden met de vennootschapsbelasting als er aan minstens één bedrijfsleider een minimale bezoldiging wordt toegekend.
Minimumbezoldiging
De invoering van artikel 282/1 WIB 1992 zorgt ervoor dat de roerende voorheffing op de dividenden van DBI-Beveks waarvoor een DBI-aftrek gevraagd wordt, vanaf aanslagjaar 2026 enkel verrekend kan worden met de vennootschapsbelasting als er aan minstens één bedrijfsleider een minimale bezoldiging wordt toegekend zoals voorzien in artikel 215, derde lid, 4 ° WIB 1992.
De toekenning van een minimale bezoldiging houdt in dat minstens één bedrijfsleider een bezoldiging geniet van 45.000 EUR vanaf het vijfde belastbaar tijdperk vanaf de oprichting. Wat de eerste vier boekjaren betreft, is de voorwaarde van de minimale bezoldiging automatisch voldaan (let wel op met de voortzetting van een eerder uitgeoefende beroepsactiviteit). Bedraagt de bezoldiging minder dan 45.000 EUR? Dan moet deze bezoldiging ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk gelijk zijn of hoger zijn dan het belastbaar inkomen van de vennootschap om aan de regel van de minimumbezoldiging te voldoen.
De minimale bedrijfsleidersbezoldiging van 45.000 EUR wordt vanaf aanslagjaar 2027 verhoogd naar 50.000 EUR. Voor de aanslagjaren nadien wordt er een indexering van het bezoldigingsbedrag ingevoerd.
Andere voorwaarden verlaagd tarief
Het al dan niet naleven van de andere voorwaarden van artikel 215 WIB 1992 voor het verkrijgen van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting dat voorbehouden is voor kleine vennootschappen (20% op de eerste 100.000 EUR winst in plaats van 25%), heeft voor de verrekening van de roerende voorheffing op dividenden uit beleggingsvennootschappen geen gevolgen. Dit geldt ook voor de nog in te voeren uitsluiting van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting omwille van bovenmatige forfaitaire voordelen van alle aard.
Als gevolg hiervan kan het ook voor grote vennootschappen van belang zijn om een minimale bedrijfsleidersbezoldiging toe te kennen.
Fiscaal alternatief
Als de vennootschap niet voldoet aan de minimale bezoldigingsregel, zou ze er voor kunnen kiezen om op de dividenden van de DBI-Bevek geen DBI-aftrek te vragen in de aangifte. In dat geval kan ze wel de roerende voorheffing op deze dividenden verrekenen. Aangezien de roerende voorheffing op de betrokken dividenden 30% bedraagt en de verschuldigde vennootschapsbelasting 25%, is dit in de regel voordeliger. Deze vrije keuze werd door de minister in de Kamercommissie Financiën bevestigd (25/11/2025).
Uitstappen uit de DBI-Bevek
Op de inkoop van eigen aandelen met directe vernietiging van de aandelen door een DBI-Bevek is geen roerende voorheffing verschuldigd op de inkoopbonus (artikel 21,2° WIB 1992). Daardoor is er voor de beleggende vennootschap ook geen probleem wat betreft de verrekening van de roerende voorheffing. Dergelijke inkoopbonus wordt op het vlak van de vennootschapsbelasting ook beschouwd als een dividend van een DBI-Bevek.
Vennootschappen die boeken per kalenderjaar, worden al vanaf boekjaar 2025 getroffen door de voorwaardelijke verrekening van de roerende voorheffing.
Vanaf aanslagjaar 2026
Vennootschappen die boeken per kalenderjaar moeten al vanaf boekjaar 2025 rekening houden met een voorwaardelijke verrekening van de roerende voorheffing. Een wijziging vanaf 3 februari 2025 van de afsluitdatum van het boekjaar die niet verantwoord kan worden door andere motieven dan het ontwijken van deze maatregel, wordt niet aanvaard voor de toepassing van deze regelgeving. Tegelijk geldt deze nieuwe maatregel niet voor dividenden verkregen door erkende coöperatieve vennootschappen.






