Meerwaardebelasting: wie blijft nog fiscaal ten laste?
Sinds 2026 is de meerwaardebelasting op financiële activa van toepassing. Dit moet opgenomen worden als een divers inkomen. Door deze meerwaarde kan een kind of inwonende ouder mogelijk niet meer als fiscaal ‘ten laste’ beschouwd worden.
Van kapitaal naar divers inkomen
De wet van 6 april 2026 (BS 21 april 2026) belast meerwaarden op financiële activa die vanaf 1 januari 2026 worden verwezenlijkt. Ze worden belast als divers inkomen onder art. 90, eerste lid, 9°, WIB 92, ook binnen het normale beheer van een privévermogen.
Die kwalificatie als divers inkomen heeft een gevolg dat in het debat nauwelijks aandacht kreeg: ze raakt het statuut van personen ten laste. Een kind, ouder, grootouder, broer of zus is slechts ten laste als de eigen netto bestaansmiddelen het grensbedrag van art. 136 en 141 WIB 92 niet overschrijden.
De administratieve commentaar trekt daarbij een duidelijke lijn tussen kapitaal en inkomen:
“De kapitalen die door erfenis, schenking, toekenning door de openbare machten of anderszins aan een persoon ten laste zouden ten deel vallen, komen niet in aanmerking, terwijl het eventuele inkomen van die kapitalen of, in voorkomend geval, het gedeelte ervan dat uit fiscaal oogpunt als een beroeps- of als een divers inkomen wordt beschouwd (…), daarentegen wel in aanmerking moet worden genomen.” — Com.IB 92, nr. 136/26
Vóór 2026 bleef een meerwaarde op aandelen binnen het normaal beheer economisch de realisatie van kapitaal. Vandaag is dezelfde meerwaarde een divers inkomen. Hierdoor valt ze in de categorie die de administratie uitdrukkelijk meetelt.
Eén toets voor elke persoon ten laste
Art. 136 WIB 92 hanteert dezelfde voorwaarde voor alle categorieën personen ten laste: kinderen, ascendenten, zijverwanten tot de tweede graad. Ook art. 143 WIB 92, dat bepaalt wat niet als bestaansmiddel meetelt, maakt geen onderscheid. Wie als eigenaar of blote eigenaar een netto meerwaarde boven de grens verwezenlijkt, is in beginsel niet langer ten laste.
Wie als eigenaar of blote eigenaar een netto meerwaarde boven de grens verwezenlijkt, is in beginsel niet langer ten laste.
Minderjarige kinderen: het grootste risico
Bij minderjarige kinderen slaat de nieuwe regeling het hardst toe. Drie redenen verklaren waarom.
Het kind is zelf belastingplichtig. Art. 92, § 3, a), WIB 92 rekent de meerwaarde toe aan de eigenaar of blote eigenaar. De administratie past dat uitdrukkelijk toe op minderjarigen:
“Wanneer een niet-ontvoogde minderjarige eigenaar of blote eigenaar is van een financieel actief waarop een meerwaarde wordt verwezenlijkt naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel, dan is die meerwaarde belastbaar in hoofde van die minderjarige.” — Circulaire 2026/C/74, rn. 16
Het kind geniet dan zijn eigen vrijstellingen en het basisbedrag van de belastingvrije som (art. 131 WIB 92). Maar wie belastingplichtige is, heeft ook bestaansmiddelen.
Het ouderlijk genot biedt geen bescherming. Roerende inkomsten van minderjarigen bedreigen het statuut ten laste doorgaans niet, omdat het ouderlijk genot de vruchten naar de ouders verschuift. Een meerwaarde is echter geen vrucht, maar een kapitaalbestanddeel. Ze blijft bij het kind.
Het kind beslist niet. Bij gesplitste eigendom wordt de volledige meerwaarde toegerekend aan de blote eigenaar, ook wanneer de vruchtgebruiker de verkoop beslist en de opbrengst ontvangt (Circulaire 2026/C/74, rn. 12). Na een overlijden of een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik is dat eerder regel dan uitzondering.
Enkele scenario’s
Een vader overlijdt en laat zijn vrouw en hun zoon van 5 jaar na. De zoon erft de blote eigendom van een effectenportefeuille, de moeder het vruchtgebruik. Drie jaar later wenst de moeder een deel te verkopen, waarbij een meerwaarde van 20.000 euro wordt gerealiseerd.
- De zoon van 8 is belastingplichtig voor de volledige meerwaarde.
- Hij past zijn eigen vrijstelling toe en betaalt 10 procent op het saldo.
- De meerwaarde is een divers inkomen en dus een bestaansmiddel. Ze overschrijdt de grens van 12.300 euro voor een kind ten laste van een alleenstaande (AJ 2027).
- De moeder kan haar zoon voor dat aanslagjaar niet langer ten laste nemen!
Ze verliest de toeslag op de belastingvrije som voor een kind ten laste en de bijkomende toeslag voor een alleenstaande ouder. Het resultaat is paradoxaal: de moeder beslist, ontvangt niets en verliest zelfs een belastingvoordeel, terwijl het kind niets beslist en wel de meerwaarde opstrijkt en erop belast wordt.
Bij bestaande maatschapstructuren, met een beleggingsportefeuille, waarvan de blote eigendom van de maatschapsdelen al geschonken is aan de kinderen, geldt fiscale transparantie. Ook hier zullen de kinderen belastingplichtig zijn en mogelijk de grens van de netto bestaansmiddelen overschrijden waardoor ze niet meer ten laste zijn.
Of wat met de jongere student van 19 die thuis woont met zijn ouders, jongere broer en zus en op de beurs zijn eerste geld investeert? Hij is een geluksvogel en zijn investering van 10.000 verkoopt hij met een meerwaarde van 15.000 (boven de netto bestaansmiddelen). Dat meerderjarig kind beslist wel zelf, de ouders zijn niet op de hoogte maar kunnen wel hun kind niet meer ten laste nemen voor dat jaar. Gevolg? Een daling van de belastingvrije som van 6.310 euro (3 kinderen ten laste is 11.440 euro vs. 2 kinderen ten laste 5.130 euro). Dit kan voor de ouders betekenen dat zij 2.524 euro (gerekend aan 40 procent) meer belasting moeten betalen.
Eén verkoop kan een kind of inwonende ouder het fiscaal statuut ‘ten laste’ doen verliezen.
Inwonende ouders en andere personen ten laste
Dezelfde regel geldt voor een inwonende ouder, grootouder, broer of zus. Wie als eigenaar of blote eigenaar een netto meerwaarde boven de grens van de netto bestaansmiddelen verwezenlijkt, verliest het statuut ‘ten laste’. Het zwaartepunt ligt wel anders dan bij minderjarigen.
De echtgenoot en de wettelijk samenwonende partner zijn geen personen ten laste in de zin van art. 136 WIB 92. Voor hen speelt deze problematiek niet.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Het echte risico is een verkoop zonder planning. Met de juiste timing en het juiste bedrag blijft het statuut ten laste meestal behouden.
- Spreid verkopen over meerdere jaren. De toets gebeurt per belastbaar tijdperk. Blijft de netto meerwaarde per jaar onder de grens, dan blijft de persoon ten laste.
- Verreken minderwaarden. Minderwaarden uit dezelfde categorie als de meerwaarden in hetzelfde jaar gerealiseerd verminderen de netto meerwaarde en kunnen bewust in dat jaar worden gerealiseerd.
Conclusie
Onder de huidige stand van wetgeving en circulaire verliest elke persoon ten laste die als eigenaar of blote eigenaar een netto meerwaarde boven de grens van de netto bestaansmiddelen verwezenlijkt, dat statuut. Minderjarige kinderen en hun ouders zijn het kwetsbaarst: ze zijn zelf belastingplichtig, het ouderlijk genot beschermt hen niet en de verkoop wordt vaak door een ander beslist. De wetgever lijkt die samenloop niet te hebben overwogen. Tot daarover duidelijkheid komt, is een geplande verkoop de veiligste route.


