Materieel en outillage: de hervorming van de onroerende voorheffing in het Waalse Gewest

Al bijna twintig jaar ondersteunde het Waalse Gewest ondernemingen via een vrijstellingsregeling van de onroerende voorheffing op materieel en outillage die in nieuwe staat werden aangekocht. Het programmadecreet van de Waalse regering van 19 december 2025 wijzigt dit systeem echter grondig: het voert een tijdsbeperking van de vrijstelling in en heroriënteert de regeling naar een strikt afgebakende periode van vijf jaar. De volgende paragrafen geven een samenvatting van deze hervorming en van de concrete gevolgen ervan voor uw onderneming. Aangezien de onroerende voorheffing een gewestelijke belasting is, is deze wijziging ook relevant voor ondernemingen met hun zetel in het Vlaamse gewest die onroerend goed in Wallonië bezitten.

15/04/2026

|

|

3,6 min read

Algemene context

Al bijna twintig jaar kent het Waalse Gewest een systeem van vrijstelling van de onroerende voorheffing voor materieel en outillage die in nieuwe staat werden aangekocht of opgebouwd. Deze maatregel, ingevoerd in 2005 in het kader van het Marshallplan, had een aanzienlijke impact op de fiscale druk voor ondernemingen.

Het Waals programmadecreet van 19 december 2025 (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2025) wijzigt dit vrijstellingsregime grondig en voert een tijdsbeperking in.

Hieronder vindt u een overzicht van deze hervorming en de praktische gevolgen ervan voor uw onderneming.

De onroerende voorheffing op materieel en outillage: historiek van het vrijstellingsregime

De onroerende voorheffing (OV) is een jaarlijkse belasting die gebaseerd is op het kadastraal inkomen (KI) van gebouwde of ongebouwde onroerende goederen. Als onroerende goederen — en dus onderworpen aan de onroerende voorheffing — worden gelijkgesteld het materieel en de outillage die het karakter hebben van een onroerend goed uit hun aard of door bestemming, in het bijzonder machines en installaties die rechtstreeks gebruikt worden voor een economische activiteit.

Tot dusver had het vrijstellingsstelsel inzake materieel en outillage volgend toepassingsgebied:

  1. Materieel en outillage verworven vóór 1 januari 2004: er was geen vrijstelling voorzien.
  2. Materieel en outillage verworven sinds 1 januari 2004: de vrijstelling werd toegekend wanneer het niet-geïndexeerde kadastrale inkomen van het materieel dat op een kadastraal perceel was geïnstalleerd, niet hoger was dan 795 euro.
  3. Materieel en outillage verworven sinds 1 januari 2005: nieuwe investeringen konden genieten van een vrijstelling, op voorwaarde dat de investering werd gedaan op een kadastraal perceel waarop op 31 december 2004 geen materieel of outillage aanwezig was.
  4. Materieel en outillage verworven sinds 1 januari 2006: de wetgever voerde een volledige vrijstelling in voor alle nieuwe materieel en uitrusting die vanaf deze datum nieuw werden aangekocht of opgebouwd, zonder voorwaarden.

Deze bepaling beperkt de vrijstelling voortaan door de maximale duur ervan vast te leggen op vijf jaar.

Wettelijke basis: wijziging van artikel 253 van het WIB 92 (Waalse Gewest)

Het programmadecreet voegt een nieuw 3°quater in artikel 253 van het WIB 92 in:

“Van de onroerende voorheffing wordt vrijgesteld het kadastraal inkomen van nieuwe investeringen in materieel en uitrusting (…) die in nieuwe staat zijn verworven of tot stand gebracht op het grondgebied van het Waalse Gewest vanaf 1 januari 2021, en dit gedurende een periode van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het investeringsjaar.”

Deze bepaling beperkt de vrijstelling voortaan door de maximale duur ervan vast te leggen op vijf jaar.

Toepassingsgebied

Het programmadecreet voert voortaan een beperking tot vijf jaar in van de vrijstelling van de onroerende voorheffing op materieel en outillage op onroerend goed gelegen in het Waalse Gewest.

Deze maatregel is van toepassing :

  • Voor nieuwe investeringen die gerealiseerd worden vanaf 1 januari 2026: de onroerende voorheffing zal pas verschuldigd zijn vanaf het jaar dat volgt op het einde van de periode van vijf jaar, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de investering werd gerealiseerd. Investeringen die in 2026 worden gedaan, zullen dus aan de onroerende voorheffing onderworpen zijn vanaf 1 januari 2032.
  • Voor investeringen die gerealiseerd werden tussen 2021 en 2025, waarvoor de periode van vijf jaar voortaan moet worden gerespecteerd. Zo kunnen investeringen die tijdens het jaar 2025 zijn gedaan, nog genieten van de vrijstelling van onroerende voorheffing voor de aanslagjaren 2026, 2027, 2028, 2029 en 2030. Vanaf 1 januari 2031 zullen deze investeringen onderworpen zijn aan de onroerende voorheffing.
  • Voor investeringen die gerealiseerd werden tussen 2005 en 2020: deze investeringen worden belastbaar vanaf het aanslagjaar 2026, aangezien de voormelde periode van vijf jaar reeds is verstreken.

Samenvattende tabel

Periode van verwerving van het materieel en de outillage Oude stelsel Nieuwe stelsel Toepassing vanaf 2026
Vóór 1 januari 2004 Geen vrijstelling Ongewijzigd - geen vrijstelling Onroerende voorheffing verschuldigd
Sinds 1 januari 2004 Vrijstelling indien het KI < 795 euro per perceel Geen vrijstelling Onroerende voorheffing verschuldigd
Sinds 1 januari 2005 Vrijstelling indien er op 31/12/2004 geen materieel en uitrusting op het perceel aanwezig was Geen vrijstelling Onroerende voorheffing verschuldigd
Tussen 1 januari 2006 en 31 december 2020 Onbeperkte vrijstelling Geen vrijstelling Onroerende voorheffing verschuldigd vanaf het aanslagjaar 2026
Tussen 1 januari 2021 en 31 december 2025 Onbeperkte vrijstelling Vrijstelling max. 5 jaar Verschuldigd vanaf het jaar dat volgt op het einde van de periode van vijf jaar
Vanaf 1 januari 2026 / Vrijstelling max. 5 jaar Verschuldigd vanaf het jaar dat volgt op het einde van de periode van vijf jaar

Voor ondernemingen houdt deze evolutie in dat zij hun investeringsplanning moeten herzien en het geleidelijke einde van bepaalde historische vrijstellingen moeten anticiperen.

Conclusie

De hervorming van de onroerende voorheffing betekent een belangrijke ommekeer voor ondernemingen die actief zijn in het Waalse Gewest. Na bijna twintig jaar van quasi‑permanente vrijstelling voor materieel en outillage die in nieuwe staat werden aangekocht, voert de wetgever voortaan een strikter kader in, waarbij dit voordeel wordt beperkt tot een maximale periode van vijf jaar.

Voor ondernemingen impliceert deze evolutie dat zij hun investeringsplanning moeten herbekijken, het geleidelijke einde van bepaalde historische vrijstellingen moeten anticiperen en hun financiële strategie moeten aanpassen aan de nieuwe termijn van 5 jaar. Een grondige analyse van de datum van verwerving van het materieel en de outillage en van de toekomstige impact van de onroerende voorheffing wordt dan ook essentieel.

Michel Beyaert

Michel Beyaert

Tax Partner | Gecertificeerd belastingadviseur

placeholder-auteur

Cédric Baade

Senior Tax Consultant | Gecertificeerd belastingadviseur

Neem vandaag de eerste stap naar groei.

Onze financiële experten staan klaar om uw onderneming te begeleiden in een veranderende wereld. Wij zorgen voor oplossingen die werken, nu én in de toekomst.

Deel dit artikel

Recente artikels