Personenbelasting hervormd: wat moet u hierover weten?
Met de wet van 15 juli 2026 voert de federale regering in ons land een omvangrijke hervorming van de personenbelasting door. Deze wet bevat maatregelen die de koopkracht van werknemers moeten versterken, ondernemerschap stimuleren en bepaalde fiscale gunstregimes hervormen. Een aantal wijzigingen werkt bovendien retroactief (aangepast naar 1 januari 2026), waardoor u als belastingplichtige de impact ervan al zult voelen bij uw inkomsten van dit jaar.
De wet van 15 juli tot hervorming van de personenbelasting werd op 29 juli 2026 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Deze hervorming zorgt voor enkele belangrijke veranderingen die een belangrijke impact zullen hebben op belastingplichtigen.
Sommige elementen zijn retroactief van toepassing naar 1 januari 2026 en zullen dus onmiddellijk een impact hebben. Wij hernemen hieronder een aantal elementen van deze nieuwe wetgeving en leggen uit wat hun impact is.
1. Stapsgewijze verhoging van de belastingvrije som
Het basisbedrag van de belastingvrije som wordt stapsgewijs verhoogd van een basisbedrag van 4.785 EUR tot – uiteindelijk – 6.230 EUR voor aanslagjaar 2031. Dit betekent concreet (voor inkomstenjaar 2026) een verhoging van de belastingvrije som van 11.180 EUR naar 11.550 EUR.
Met deze maatregel wil de wetgever de werkende bevolking laten genieten van deze verhoging. Voor genieters van pensioenen en vervangingsinkomsten wordt dit gecompenseerd door een specifieke verlaging van de belastingvermindering voor hun inkomsten in de aangifte in de personenbelasting.
Daarnaast wordt vanaf inkomstenjaar 2026 de belastingvrije som voor kinderen ten laste verhoogd voor één of twee kinderen ten laste. Daarbij wil de regering in de toekomst voor ieder kind dezelfde toeslag op de belastingvrije som toekennen. Op die manier wordt het stelsel van de belastingvrije som gelijkgetrokken voor ieder kind ten laste.
Ook belangrijk om weten: de bijkomende toeslag op de belastingvrije som voor alleenstaande ouders zal vanaf inkomstenjaar 2029 nog slechts van toepassing zijn voor werkelijk alleenstaande ouders. Feitelijk samenwonende partners zullen dus niet langer deze bijkomende toeslag kunnen genieten.
2. Geleidelijke afbouw van het huwelijksquotiënt
Als de partner met het laagste beroepsinkomen minder dan 30 procent van het totale beroepsinkomen van het gezin verdient, wordt een deel van het beroepsinkomen van de andere partner fictief aan hem of haar toegerekend. Die overdracht bedraagt maximaal 30 procent van het beroepsinkomen, met een wettelijk plafond van 13.800 EUR (inkomstenjaar 2026). Hierdoor wordt het inkomen verdeeld over twee personen, waardoor meer inkomen wordt belast aan lagere progressieve tarieven.
Vanaf inkomstenjaar 2026 wordt het huwelijksquotiënt afgebouwd. De afbouw verschilt naargelang beide partners wel of niet de leeftijd van 66 jaar hebben bereikt op 1 januari van het aanslagjaar.
- Partners die de leeftijdsgrens van 66 jaar hebben bereikt
Hiervoor wordt een uitdoofscenario voorzien dat over bijna 20 jaar gespreid wordt. Het te overhevelen percentage blijft 30 procent, maar het maximumbedrag van de overheveling wordt afgebouwd. Vanaf inkomstenjaar 2045 zal er geen overheveling meer mogelijk zijn (lees: geen huwelijksquotiënt meer). - Partners die de leeftijdsgrens van 66 jaar niet hebben bereikt
Ook hier wordt het percentage van de overheveling behouden op 30 procent. Het maximumbedrag dat kan worden overgeheveld wordt – gespreid over vier jaar – gehalveerd. Er is dus geen sprake van een volledige afschaffing.
Voor inkomstenjaar 2027 wordt het te overhevelen bedrag verlaagd van 13.800 EUR naar 11.780 EUR.
3. Vrijwillige overuren
Op 1 april 2026 werd het contingent vrijwillige overuren uitgebreid. Werknemers kunnen voortaan tot 360 vrijwillige overuren per kalenderjaar presteren, waarvan 240 uren bruto = netto zijn. Dit betekent dat op deze uren geen socialezekerheidsbijdragen of belastingen verschuldigd zijn.
De permanente vrijstelling van inkomstenbelasting voor deze overuren werd nu via de wet tot hervorming van de personenbelasting verankerd in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen. Een belangrijke voorwaarde is wel dat voor deze 240 uren geen overwerktoeslag wordt toegekend.
Daarnaast geldt voor een aantal overuren waarvoor een wettelijke overwerktoeslag verschuldigd is, een fiscaal gunstregime. Dit voorziet enerzijds in een belastingvermindering voor de werknemer en anderzijds in een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de werkgever.
Dit fiscale voordeel was oorspronkelijk beperkt tot 130 overuren per jaar per werknemer (met uitzondering van de bouw- en horecasector), maar werd verschillende keren tijdelijk verhoogd tot 180 overuren. De laatste tijdelijke verhoging liep tot en met 31 december 2025.
De wet heeft dit contingent inmiddels permanent vastgesteld op 180 overuren per jaar en per werknemer voor alle sectoren, met retroactieve uitwerking vanaf 1 januari 2026.
Voor bepaalde sectoren blijft een hoger contingent gelden. Zo bedraagt het maximum 280 overuren voor werkgevers en werknemers die wegen- en spoorwegwerken uitvoeren, en 360 overuren in de horecasector.
4. Fiscale werkbonus
De fiscale werkbonus wordt vandaag berekend als 33,14 procent van de toegekende sociale werkbonus. Voor werknemers met de laagste lonen geldt een verhoogd percentage van 52,54 procent.
De wetgever voorziet een geleidelijke versterking van dit fiscale voordeel. Het algemene percentage van de fiscale werkbonus wordt verhoogd van 33,14 naar 35 procent, met ingang van inkomstenjaar 2028.
Voor werknemers die recht hebben op de verhoogde fiscale werkbonus, voorziet de wetgever een meer uitgesproken verhoging. Het verhoogde percentage stijgt eerst van 52,54 procent naar 63 procent vanaf inkomstenjaar 2026, en wordt vervolgens verder opgetrokken tot 72 procent vanaf inkomstenjaar 2028.
Niet alleen de percentages worden verhoogd. Ook het maximumbedrag van de fiscale werkbonus wordt opgetrokken. Vanaf inkomstenjaar 2026 stijgt het plafond van 765 EUR naar 970 EUR (niet-geïndexeerde bedragen). Hierdoor zullen werknemers met een lager inkomen een bijkomend fiscaal voordeel kunnen genieten.
De hervorming van de personenbelasting zet vooral in op meer netto-inkomen uit arbeid, onder meer via een hogere belastingvrije som, een versterkte fiscale werkbonus en een uitbreiding van de fiscale voordelen voor overuren.
5. Impact op de bedrijfsvoorheffing
Op het niveau van de bedrijfsvoorheffing werken voorlopig enkel de maatregelen met betrekking tot de fiscale werkbonus voor de laagste lonen (vanaf 1 augustus 2026), de uitbreiding van het contingent tot 180 fiscaal ondersteunde overuren en de fiscale vrijstelling voor vrijwillige overuren door. Belastingplichtigen zullen de impact van de overige wijzigingen ondervinden in hun aangifte in de personenbelasting met betrekking tot inkomstenjaar 2026.
6. Bijverdiensten gepensioneerden
De nieuwe wetgeving voorziet in een afzonderlijke belasting van 33 procent voor bezoldigingen die gepensioneerden genieten in de hoedanigheid van werknemer. Opgelet: deze afzonderlijke belasting is dus niet van toepassing voor winsten of baten.
Verder wordt er bepaald dat er geen maximum is aan ontvangen bezoldigingen. De maatregelen zijn voornamelijk bedoeld voor situaties waar het statuut van flexi-jobs niet kan toegepast worden.
Deze regeling is van toepassing op bezoldigingen vanaf 1 januari 2027.
7. Divers inkomen
De federale regering voorziet een maatregel die extra rechtszekerheid biedt voor belastingplichtigen die beperkte inkomsten behalen uit de normale verrichtingen van het beheer van hun privévermogen.
Voortaan geldt een onweerlegbaar vermoeden dat bepaalde verrichtingen als normale handelingen van privévermogensbeheer beschouwd worden wanneer de bruto-opbrengsten ervan niet meer bedragen dan 972 EUR (2.000 EUR voor inkomstenjaar 2026). Het gaat hierbij om verrichtingen met betrekking tot een privévermogen dat bestaat uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen.
Concreet betekent dit dat, wanneer de bruto-opbrengsten uit dergelijke verrichtingen de grens van 2.000 EUR (inkomstenjaar 2026) niet overschrijden, de fiscus deze inkomsten niet langer kan kwalificeren als diverse inkomsten. Een concreet voorbeeld hiervan zijn inkomsten van verkopen via digitale platformen zoals Vinted.
Naast maatregelen voor werknemers bevat de hervorming ook belangrijke wijzigingen voor zelfstandigen en bedrijfsleiders, zoals de invoering van een ondernemersaftrek, de terugkeer van het auteursrechtenregime voor softwareontwikkelaars en strengere regels rond voordelen van alle aard.
8. Ondernemersaftrek
Vanaf inkomstenjaar 2027 kunnen zelfstandigen een eerste schijf van hun winsten en baten gedeeltelijk vrijstellen van belasting via de zogenaamde ondernemersaftrek. De vrijstelling zal gelijk zijn aan 10 procent van de winsten en baten (gecorrigeerd volgens de regeling van de ondernemersaftrek).
9. Auteursrechten en computerprogramma’s
Sinds 1 januari 2026 is het fiscale auteursrechtenregime opnieuw opengesteld voor softwareontwikkelaars. De wetgever draait daarmee de uitsluiting uit 2022 terug, waardoor vergoedingen voor computerprogramma’s opnieuw in aanmerking kunnen komen voor de gunstige fiscale behandeling van auteursrechten.
De bestaande voorwaarden blijven daarbij behouden: de auteursrechten moeten worden overgedragen of in licentie worden gegeven aan een derde. Bovendien moeten ze betrekking hebben op exploitatievormen zoals reproductie, mededeling aan het publiek of openbare uitvoering.
Met deze hervorming wil de wetgever de fiscale gelijkstelling herstellen tussen softwareontwikkelaars en andere digitale beroepen, zoals webdesigners, gameontwikkelaars en content creators, die al onder het auteursrechtenregime konden vallen.
10. Overdreven voordelen van alle aard voor werknemers en bedrijfsleiders
In de nieuwe wet wordt het overdreven voordeel van alle aard “bestraft”. Dit geldt vanaf de datum van publicatie van de nieuwe wet in het Belgisch Staatsblad (29 juli 2026). Het gaat hierbij om de forfaitair geraamde voordelen van alle aard, zoals bedrijfswagen, goedkope leningen, aandelenopties,… Er is sprake van een overdreven voordeel van alle aard wanneer de waarde van alle voordelen samen een waarde hebben die groter is dan 20 procent van de totale belastbare bezoldiging. Bij het overschrijden van dit maximum wordt in de vennootschapsbelasting een bijzondere heffing van 7,5 procent op het bovenmatig deel toegepast, maar wel enkel binnen de categorie van de werknemer. Wanneer het bedrijfsleiders betreft die een overdreven voordeel van alle aard krijgen, zal de vennootschap uitgesloten zijn van het verlaagd tarief vennootschapsbelasting.
11. Minimumbezoldiging bedrijfsleider
Een kleine vennootschap kan een verlaagd tarief vennootschapsbelasting van 20 procent genieten op de eerste schijf van 100.000 EUR winst wanneer aan enkele voorwaarden is voldaan. Een van deze voorwaarden was een minimumbezoldiging van 45.000 EUR.
Vanaf inkomstenjaar 2026 wordt deze minimumbezoldiging aangepast naar een bedrag dat jaarlijks zal geïndexeerd worden. Voor inkomstenjaar 2026 bedraagt dit bedrag 51.000 EUR.






