Uitstel QDMTT-aangifte is een feit!
Op de valreep heeft de fiscus op 17 november 2025 bevestigd dat de QDMTT- indieningsdeadline van 30 november 2025 uitzonderlijk wordt verlengd tot 30 juni 2026. Wellicht omdat er nog heel wat onduidelijkheden waren (en zijn) rond de praktische kant van deze aangifteformaliteit. We verduidelijken dit voor u.
Achtergrond
Al op 19 december 2023 keurde het federale parlement de invoering van de nieuwe minimumbelasting in België voor vennootschappen goed. Deze maatregel moet garanderen dat vennootschappen die deel uitmaken van grote (internationale) groepen, altijd een effectief belastingtarief van tenminste 15 procent betalen in elk land waar ze actief zijn. Deze nieuwe minimumbelasting geldt voor boekjaren die beginnen op of na 31 december 2023.
In dit kader legt diezelfde wet een jaarlijkse aangifteplicht op grote groepen voor de binnenlandse bijheffing, de zogenaamde Qualified Domestic Minimum Top-up Taks (QDMTT). Deze QDMTT-aangifte moet binnen de 11 maanden na afsluitdatum van het verslagjaar ingediend worden (wat overeenkomt met het boekjaar van de uiteindelijke moedervennootschap). Als gevolg hiervan moest de allereerste QDMTT-aangifte (met betrekking tot het verslagjaar die starten vanaf 31 december 2023) neergelegd worden tegen 30 november 2025.
De uitgestelde QDMTT-indieningsdeadline is 30 juni 2026.
De meeste recente wijzigingen op een rij
- Sinds de laatste versie van de ontwerpversie van de QDMTT-aangifte (die dateert van 24 juni 2025) heeft de Belgische fiscus geen officiële update gegeven.
- Er werden ook nog geen praktische richtlijnen gepubliceerd over zowel de op te nemen informatie als het indieningsproces.
- Op 9 oktober 2025 werd in het federale parlement een wetsontwerp ingediend met technische verduidelijkingen en correcties van de Belgische Pillar 2-wet (zie ons artikel Pillar II: wetsontwerp bevat verduidelijkingen voor minimumbelasting).
- Op 23 oktober 2025 werd een uitvoerige Pillar 2 Circulaire 2025/C/68 gepubliceerd. Dit document zoomt in op de interpretatie van verschillende definities en specifieke scenario’s (zie hieronder meer).
- Op 17 november 2025 werd het langverwachte QDMMT-uitstel bevestigd. De nieuwe QDMTT-indieningsdeadline is 30 juni 2026 voor verslagjaren die (i) starten op of na 31 december 2023 en (ii) eindigen ten vroegste op 1 januari 2024 en ten laatste op 30 juni 2025. In dezelfde publicatie bevestigt de fiscus ook dat praktische richtlijnen en technische documentatie met betrekking tot de aangifteprocedure later gecommuniceerd zullen worden.
Circulaire 2025/C/68
Ondanks het ontbreken van een QDMTT-aangifteformulier, en zonder rekening te houden met de input van het nieuwe wetsonderwerp van 9 oktober 2025, publiceerde de FOD Financiën op 22 oktober 2025 een uitvoerige circulaire (2025/C/68). Hieronder vindt u een zeer beknopt overzicht van enkele belangrijke punten uit dit document (van meer dan 200 pagina’s).
Voorrang van Belgische/EU-wetgeving op OESO-regels
Bij verschillen tussen de Belgische Pillar 2-wet, de EU-richtlijn en de OESO-modelregels zijn alleen de Belgische wet en de EU-richtlijn juridisch bindend. De OESO-regels hebben slechts een interpretatieve functie. Dit onderscheid is belangrijk omdat de EU-richtlijn en de Belgische wetgeving op bepaalde punten – zij het beperkt – afwijken van de OESO-voorschriften. Een van de belangrijkste verschillen is dat de EU-richtlijn ook geldt voor grote binnenlandse groepen, terwijl de OESO-regels zich richten op multinationale groepen met grensoverschrijdende activiteiten.
Het boekjaar van lokale entiteit wijkt af van boekjaar UPE
Sommige Belgische groepsentiteiten hanteren een ander boekjaar dan de uiteindelijke moederentiteit (Ultimate Parent Entity, of kortweg UPE). De circulaire verduidelijkt dat voor Pillar 2-doeleinden het boekjaar van de geconsolideerde jaarrekening van de UPE bepalend is. Alleen wanneer de UPE geen geconsolideerde jaarrekening opstelt, geldt het kalenderjaar als verslagjaar.
Intragroepscompensaties
De circulaire verduidelijkt de behandeling van intragroepsverrekeningen in het kader van QDMTT- en UTPR-bijheffing. Zowel de QDMTT-bijheffing als de UTPR-bijheffing zijn verschuldigd door de volledige groep, niet door afzonderlijke lokale entiteiten. Bij meerdere Belgische entiteiten wordt de bijheffing in principe geheven bij de entiteit met het hoogste gekwalificeerde netto-inkomen in België, met hoofdelijke aansprakelijkheid voor alle Belgische groepsentiteiten. Er bestaat echter een mogelijkheid om hiervan af te wijken.
Daarnaast kunnen groepen de uiteindelijke bijheffing intern verdelen via intragroepsvergoedingen. Deze vergoedingen worden fiscaal geneutraliseerd en worden niet beschouwd als belastbaar dividend of abnormaal voordeel, zolang ze beperkt blijven tot de verschuldigde bijheffing. Dit biedt extra flexibiliteit aan de groep, zonder enige fiscale impact.
Belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling
De circulaire verduidelijkt onder meer dat het vernieuwde belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling wordt beschouwd als een gekwalificeerd terug betaalbaar belastingtegoed voor Pillar 2-regels, omdat dit tegoed voortaan na vier in plaats van vijf aanslagjaren wordt terugbetaald. Daarnaast kunnen groepsentiteiten kiezen of zij het belastingkrediet al dan niet verrekenen of overdragen, rekening houdend met de gevallen waarin een onmiddellijke verrekening ertoe zou leiden dat hun effectief belastingtarief onder de drempel van 15 procent zakt.
Tijdelijke veilige havens (safe harbours)
De OESO introduceerde tijdelijke safe harbours om administratieve lasten te beperken. België heeft dit overgenomen in de Pillar 2-wet van 19 december 2023. Een bijheffing wordt als nul beschouwd wanneer aan ten minste een van de drie tests in artikel 64 van de wet van 19 december 2023 wordt voldaan. Deze tests maken gebruik van beschikbare financiële gegevens of het landenrapport (CbCR). Ook binnenlandse groepen die normaal geen CbCR indienen, kunnen hiervan gebruikmaken. De tijdelijke UTPR-safe harbour geldt voor verslagjaren die starten voor 1 januari 2026 en eindigen voor 31 december 2026. De circulaire licht de verschillende tests verder toe met concrete voorbeelden. Het QDMTT-aangifteformulier blijft voorlopig in ontwerp beschikbaar.
Een QDMTT-aangifte is verplicht, zelfs wanneer een safe harbour kan worden toegepast of er geen top-up tax verschuldigd is.
QDMTT-aangifteverplichting
Daarnaast benadrukt de circulaire dat het indienen van een QDMTT-aangifte verplicht blijft, zelfs wanneer er geen top-up tax verschuldigd is of een safe harbour kan worden toegepast. Op de website van de fiscus vindt u een volledig overzicht van de circulaire 2025/C/68.
Dit uitstel en de bijkomende informatie uit de circulaire zijn zeer welkom, aangezien er nog altijd praktische en inhoudelijke onduidelijkheden bestaan over het QDMTT-aangifteformulier, en bij uitbreiding over het P2 NOT-formulier. Wij houden u op de hoogte zodra het finale QDMTT-aangifteformulier beschikbaar is. Ondernemingen moedigen we echter sterk aan om nu al alle relevante gegevens te verzamelen en de nodige berekeningen uit te voeren. Zo bent u tijdig klaar om weloverwogen keuzes te maken met betrekking tot eventuele veilige havens.






