Meerwaardebelasting op financiële activa vanaf 2026: impact op non-profit instellingen
Met de nieuwe meerwaardebelasting (voorheen ‘solidariteitsbijdrage’ genoemd) van 10% op financiële activa, kan ook België zich rekenen bij de landen die vermogenswinsten belasten. Deze nieuwe meerwaardebelasting viseert niet enkel natuurlijke personen onderworpen aan de personenbelasting. Ook bepaalde non-profitinstellingen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting vallen binnen het toepassingsgebied van de nieuwe regeling. Deze meerwaardebelasting komt bovenop de jaarlijkse patrimoniumtaks.
Met de nieuwe meerwaardebelasting (voorheen ‘solidariteitsbijdrage’ genoemd) van 10% op financiële activa, kan ook België zich rekenen bij de landen die vermogenswinsten belasten.
Deze nieuwe meerwaardebelasting viseert niet enkel natuurlijke personen onderworpen aan de personenbelasting. Ook bepaalde non-profitinstellingen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting vallen binnen het toepassingsgebied van de nieuwe regeling. Deze meerwaardebelasting komt bovenop de jaarlijkse patrimoniumtaks.
Wat is de impact voor deze instellingen? Was een versnelde overdracht van financiële activa voor eind 2025 nuttig? Hoe kan er slim omgegaan worden met de vrijstellingen die worden voorzien of ervoor gezorgd worden dat historische meerwaarden opgebouwd tot 31 december 2025 gevrijwaard blijven?
Dankzij een goede voorbereiding en onderbouwing vermijdt u tijdrovende discussies met de fiscus. Onze fiscale adviseurs en waarderingsspecialisten kunnen u hierin begeleiden.
Bij gebrek aan definitief gestemde wetteksten geven we alvast een overzicht op basis van de meest recente versie van het wetsontwerp “tot invoering van een belasting op meerwaarden op financiële activa” zoals in december neergelegd in de Kamer, specifiek gericht op non-profitinstellingen.
Welke instellingen worden geviseerd?
De nieuwe meerwaardebelasting viseert non-profit rechtspersonen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting, zoals vzw’s en private stichtingen. Meer bepaald gaat het om:
- rechtspersonen die hun fiscaal domicilie in België hebben en die hetzij geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, hetzij ingevolge artikel 181 en 182 WIB 1992 niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn (artikel 220, 3° WIB 1992), zoals de meeste (i)vzw’s;
- andere (feitelijke) verenigingen die niet onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, die geen winsten of baten verkrijgen en die voor een termijn van ten minste zes opeenvolgende belastbare tijdperken op de door de Koning bepaalde wijze hebben geopteerd om aan de rechtspersonenbelasting onderworpen te zijn (artikel 220, 4° WIB 1992).
Voorbeelden van in artikel 181 WIB 1992 bedoelde instellingen zijn onder meer instellingen die de professionele of interprofessionele belangen van hun leden behartigen zoals beroepsverenigingen, sociale secretariaten, onderwijsinstellingen, erkende diensten voor gezin- en bejaardenhulp, enzovoort. Instellingen bedoeld in artikel 182 WIB 1992 zijn vzw’s en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven en die zich beperken tot alleenstaande of uitzonderlijke verrichtingen, of het beleggen van fondsen ingezameld in het kader van hun statutaire opdracht of die zich beperken tot bedrijvigheden die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouwverrichtingen betrekking hebben of niet volgens nijverheids- of handelsmethoden worden uitgevoerd.
Een belangrijke uitzondering geldt echter voor rechtspersonen die erkend zijn om giften te ontvangen die in aanmerking komen voor een belastingvermindering. Deze worden niet getroffen door de nieuwe belasting.
De nieuwe belasting zal geen echte impact hebben op private stichtingen die aandelen houden als administratiekantoor in het kader van een certificering van aandelen, nu de meerwaarden op de betrokken aandelen in principe (als aan de certificeringswetgeving is voldaan) transparant worden belast bij de certificaathouders.
Welke financiële activa worden getroffen?
In principe viseert de belasting meerwaarden gerealiseerd op vier categorieën van financiële activa, met name:
- financiële instrumenten, zoals aandelen, winstbewijzen, obligaties, afgeleide instrumenten, commercial paper, emissierechten, enzovoort.
- bepaalde levensverzekeringsproducten, zoals spaar- en beleggingsverzekeringen (zoals tak 21, 22, 23, 26 en 44) en kapitalisatieverrichtingen;
- cryptoactiva in de ruimste zin, inclusief e-money tokens, activagerelateerde tokens, utility tokens en non-fungible tokens die voor betalings- of investeringsdoeleinden gebruikt kunnen worden; en
- geldmiddelen, met name giraal en chartaal geld, alsook elektronisch geld, met uitzondering van geldmiddelen die op een betaalrekening worden aangehouden, en beleggingsgoud.
Meerwaarden inzake groepsverzekeringen, levensverzekeringen binnen het langetermijnsparen, pensioenfondsen en pensioensparen blijven buiten beschouwing.
Welke verrichtingen worden geviseerd?
Het gaat om meerwaarden gerealiseerd bij overdrachten van financiële activa onder bezwarende titel vanaf 1 januari 2026, en dit buiten de beroepssfeer maar binnen het kader van normale verrichtingen van het beheer van een privévermogen. Overdrachten bij wijze van schenking of inbrengen om niet vallen buiten het toepassingsgebied. Ook inbrengen (binnen het normaal beheer van privévermogen) van aandelen in vennootschappen in ruil voor nieuwe aandelen, die niet al onder de tijdelijke vrijstelling vallen van de Europese Fusierichtlijn, zouden niet geviseerd worden door de nieuwe belasting.
Verder wordt er ook een exitbelasting voorzien op de latente meerwaarde voor rechtspersonen die hun fiscaal domicilie naar het buitenland overbrengen. In dat geval geldt er een automatisch of een optioneel betalingsuitstel (tot het moment waarop de betrokken financiële activa worden overgedragen of de belastingplichtige zijn zetel verplaatst naar een staat buiten de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte (‘EER’) of een verdragsstaat), afhankelijk van de staat waarnaar de rechtspersoon emigreert. Het uitstel van twee jaar zal automatisch zijn bij een emigratie naar een andere lidstaat van de Europese Unie of van de EER, of een staat waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft dat voorziet in de uitwisseling van informatie en wederzijdse invorderingsbijstand.
Drie categorieën van belastbare meerwaarden
Ook voor non-profit rechtspersonen is er sprake van drie elkaar uitsluitende categorieën van meerwaarden, elk met hun eigen fiscaal regime.
1. Interne meerwaarden
Interne meerwaarden waarbij aandelen of winstbewijzen worden overgedragen aan een vennootschap-overnemer waarover de overdrager-instelling rechtstreeks of onrechtstreeks controle (in de zin van het vennootschapsrecht, bijvoorbeeld meerderheid van stemrechten) uitoefent, worden voor hun volledig bedrag getaxeerd aan 33%, zonder enige voetvrijstelling of andere uitzondering (ook niet voor historische meerwaarden). Deze regeling zou bijvoorbeeld structuren kunnen impacteren waarbij een vzw bepaalde aandelen in een vennootschap A verkoopt aan een andere vennootschap B waarover de verkopende vzw de controle heeft.
Merk op dat er geen sprake is van interne meerwaarden als de koper van de aandelen wordt gecontroleerd door andere partijen, zonder enige betrokkenheid van de overdrager-rechtspersoon zelf. Niettemin kan de meerwaarde dan belast worden in het kader van een aanmerkelijk belang of onder het standaardregime (zie hierna).
2. Meerwaarden bij aanmerkelijk belang
Belastingplichtige rechtspersonen die een aanmerkelijk belang houden van minstens 20% in aandelen (geen winstbewijzen) en deze ten bezwarende titel overdragen aan een niet-gecontroleerde partij, kunnen een specifiek regime genieten, namelijk een vrijstelling van 1 miljoen EUR aan meerwaarden en op de meerwaarden boven dit bedrag progressieve tarieven, met name:
- 1.000.001 – 2.500.000 EUR: 1,25%
- 2.500.001 – 5.000.000 EUR: 2,50%
- 5.000.001 – 10.000.000 EUR: 5%
- 10.000.001 – … EUR: 10%
Voor meerwaarden boven 1 miljoen EUR op aandelen die rechten in een binnenlandse vennootschap vertegenwoordigen en die worden overgedragen aan een rechtspersoon met werkelijke zetel buiten de EER geldt een bijzonder tarief van 16,5%. Op die manier wordt het vroeger regime voor overdrachten uit een aanmerkelijk belang van meer dan 25% aan niet-EER rechtspersonen – reeds van toepassing in de rechtspersonenbelasting – in zekere zin hernomen.
Nieuw is dat het aanmerkelijk belang van 20% nu strikt per (rechts)persoon wordt bekeken. De foto van het aanmerkelijk belang wordt ook genomen op het moment van de overdracht, en niet langer op enig moment in de afgelopen tien jaar voor de overdracht. Bovendien zal de vrijstelling voor het eerste miljoen EUR aan meerwaarden slechts gelden per periode van vijf opeenvolgende jaren, zodat men niet elk jaar opnieuw de vrijstelling zou kunnen genieten.
Wie minder dan 20% aanhoudt, zou onder het standaardregime vallen (zie hierna). Er is dus niet voorzien in enige vorm van overgangsregeling bij participaties (net) onder 20% op het moment van de overdracht. Dit betekent bijvoorbeeld dat wie initieel 20% of meer van de aandelen hield, maar door kapitaalrondes is verwaterd naar minder dan 20%, bij een ‘exit’ geen beroep meer kan doen op het regime van het aanmerkelijk belang.
Het gunstregime inzake aanmerkelijk belang waarbij het eerste miljoen EUR aan meerwaarde wordt vrijgesteld, zou niet enkel voor aandelen in actieve vennootschappen gelden, maar ook voor holding-, management- en patrimoniumvennootschappen.
3. Standaardregime
Onder het standaardregime, van toepassing op alle meerwaarden (behalve interne meerwaarden en meerwaarden inzake een aanmerkelijk belang), zijn gerealiseerde meerwaarden belastbaar aan een vast tarief van 10%. De voetvrijstelling van 10.000 EUR per (rechts)persoon en per jaar blijft overeind, al zou deze nu jaarlijks geïndexeerd worden. Daarnaast zou het plafond van de vrijstelling per jaar dat deze ongebruikt blijft met (maximaal) 1.000 EUR (exclusief verdere indexering na aanslagjaar 2027) stijgen tot maximaal 15.000 EUR. Iemand die maar om de vijf jaar een meerwaarde realiseert, zou dus in het zesde jaar kunnen rekenen op een voetvrijstelling van 15.000 EUR, te verhogen met de indexatie.
De vrijstelling van meerwaarden tot 1 miljoen EUR bij aanmerkelijk belang geldt slechts eenmaal per vijf jaar.
Temporeel toepassingsgebied
Onder het finale compromis blijven de historische meerwaarden, dit wil zeggen opgebouwd tot en met 31 december 2025, buiten schot, met één uitzondering evenwel voor interne meerwaarden. Dit principe geldt ook voor rechtspersonen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting.
Om de toekomstige belastbare meerwaarde (lees: het positief verschil tussen de prijs in geld of enige andere vorm en de aanschaffingswaarde) te berekenen, zal de totale opbrengst worden verminderd met de waarde van de financiële activa per 31 december 2025. Er zal dus voor elk financieel actief een foto moeten genomen worden van de waarde per 31 december 2025, rekening houdend met het feit dat de komende vijf jaar (voor overdrachten tot en met 31 december 2030) de historische aanschaffingswaarde in aanmerking mag worden genomen, als die hoger zou blijken te zijn dan de (markt)waarde per 31 december 2025 en op voorwaarde dat hier afdoend bewijs van kan geleverd worden.
Uit de ontwerptekst blijkt dat de waarde per 31 december 2025 als volgt kan vastgesteld worden (voor rechtspersonen):
- voor genoteerde financiële activa: de laatste slotkoers van 2025
- voor niet-genoteerde activa, de hoogste van volgende waarden:
- waarde gehanteerd tussen volstrekt onafhankelijke partijen of bij oprichting van een vennootschap of kapitaalverhoging in de loop van kalenderjaar 2025;
- waarde resulterend uit een contract of aanbod van verkoopoptie in werking op 1 januari 2026;
- op basis van een formule voor aandelen: eigen vermogen + (4 x EBITDA laatste boekjaar afgesloten voor 1 januari 2026); of
- (in afwijking van de formule) een waardering (uiterlijk uitgevoerd tot 31 december 2026) door een bedrijfsrevisor of door een gecertificeerd accountant die niet de gebruikelijke beroepsbeoefenaar is;
- voor verzekerings- en kapitalisatieverrichtingen: de inventarisreserve of (indien hoger) de som van de gestorte premies.
Voor niet-genoteerde financiële activa (in het bijzonder aandelen) verkregen voor 1 januari 2026, zal het dus erg belangrijk zijn om hun waarde op 31 december 2025 vast te stellen en dit op basis van een van de hierboven beschreven waarderingsmethodes.
Historische meerwaarden opgebouwd tot en met 31 december 2025 blijven buiten schot, behalve voor interne meerwaarden.
Minderwaarden
Minderwaarden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026 kunnen ook in de rechtspersonenbelasting in mindering komen van door dezelfde belastingplichtige binnen hetzelfde belastbare tijdperk gerealiseerde meerwaarden binnen dezelfde categorie (interne meerwaarden, aanmerkelijk belang of standaardregime), en zijn dus niet overdraagbaar naar een volgend belastbaar tijdperk.
Een minderwaarde wordt berekend als het negatieve verschil tussen de ontvangen prijs en de (bewezen) aanschaffingswaarde. Voor financiële activa verkregen voor 1 januari 2026 gaat het om het negatieve verschil tussen de verkregen prijs en de waarde op 31 december 2025.
Formaliteiten
Daar waar de belasting op financiële instrumenten en verzekeringsovereenkomsten onder het standaardregime in principe (tenzij bij “opt-out”) via de Belgische financiële tussenpersonen (zoals banken en verzekeraars) zal ingehouden worden onder de vorm van een (bevrijdende) roerende voorheffing van 10% (zonder rekening te houden met vrijstellingen en minderwaarden), zal de heffing voor interne meerwaarden en aanmerkelijk belang alsook voor cryptoactiva en valuta via de fiscale aangifte in de rechtspersonenbelasting en inkohiering gebeuren. Wel geldt er in dat geval nog een bijzondere rapporteringsverplichting voor in België gevestigde ‘intermediairs’, namelijk tussenpersonen die verrichtingen inzake interne meerwaarden en aanmerkelijke belangen bedenken, beschikbaar maken, de implementatie ervan beheren of er hulp, bijstand of advies rond verstrekken, die bepaalde gegevens waarvan ze kennis hebben rond de meerwaarde en de identiteit van de partijen aan de fiscale administratie zullen moeten meedelen. Wie beroep wil doen op vrijstellingen of in geval van “opt-out” inzake roerende voorheffing, zal dit normaal via de fiscale aangifte moeten regelen.
Gelet op het feit dat financiële tussenpersonen voor de publicatie van de wet (verwacht voor maart-april 2026) niet verplicht kunnen worden roerende voorheffing in te houden, zal de standaardregel voor meerwaarden gerealiseerd tussen 1 januari 2026 en de publicatiedatum van de wet de “opt-out” zijn. Niettemin kunnen belastingplichtigen uit discretieoverwegingen ervoor kiezen de inhouding toch te laten doen, maar deze pas na de publicatiedatum te laten storten aan de schatkist. Die inhouding zou dan ook bevrijdend zijn, zodat deze belastingplichtigen geen aangifteplicht meer hebben.
Volgende stappen
Hoewel we de stemming in het parlement van het wetsontwerp moeten afwachten, lijkt het toch raadzaam om de eventuele impact van de nieuwe meerwaardebelasting al in kaart te brengen en te anticiperen op de inwerkingtreding per 1 januari 2026. Zo kunt u bijvoorbeeld (laten) nagaan welke waarderingsmethode de hoogste waarde per 31 december 2025 oplevert voor niet-genoteerde aandelen. Wij helpen u hierbij graag verder.






