Eindejaarstips 2025: vennootschapsbelasting
Het jaar 2025 loopt stilaan op zijn einde. Het ideale moment om nog enkele belangrijke optimalisaties te bekijken binnen de vennootschapsbelasting. In dit artikel ontdekt u enkele praktische eindejaarstips en bedenkingen op het vlak van vennootschapsbelasting.
1. Liquidatiereserve
Vanaf 2026 wijzigen de regels rond liquidatiereserves ingrijpend. Voor een uitgebreide bespreking verwijzen we naar ons eerder artikel in dit verband: Dividenden: liquidatiereserve en VVPRbis groeien naar elkaar toe.
Reserves aangelegd tot 31/12/2025
Voor liquidatiereserves die worden aangelegd tot eind 2025, blijft het huidige regime ongewijzigd van kracht. Dit houdt in dat bij de aanleg van een liquidatiereserve eerst een afzonderlijke heffing van 10% verschuldigd is, en dat deze reserve vervolgens – na een wachttijd van vijf jaar – kan worden uitgekeerd aan een tarief van 5% roerende voorheffing.
Voor liquidatiereserves die vanaf 29 juli 2025 worden uitgekeerd of betaalbaar gesteld, voorzag de wetgever een bijkomende keuze. Naast het ‘klassieke’ systeem, waarbij na een wachttermijn van vijf jaar een tarief van 5% roerende voorheffing geldt, kunnen ondernemingen ook kiezen voor een verkorte wachttermijn van drie jaar, gekoppeld aan een roerende voorheffing van 6,5%. Deze tweede optie biedt vennootschappen en hun aandeelhouders meer flexibiliteit wanneer een snellere uitkering wenselijk is, al gaat dit gepaard met een iets hogere fiscale last.
Wordt de liquidatiereserve uitgekeerd binnen de drie jaar na aanleg, dan is een tarief van 20% roerende voorheffing van toepassing. Bij uitkering naar aanleiding van de vereffening van de vennootschap wordt er geen roerende voorheffing geheven.
Reserves aangelegd vanaf 01/01/2026
Voor liquidatiereserves die vanaf 1 januari 2026 worden aangelegd geldt een standaard wachttermijn van 3 jaar (i.p.v. 5 jaar) en tarief van 6,5% roerende voorheffing. De anticipatieve heffing van 10% bij de aanleg blijft behouden, waardoor de totale belastingdruk 15% bedraagt.
Worden deze ‘nieuwe’ liquidatiereserves uitgekeerd voor de wachttermijn van 3 jaar? Dan wordt dit gezien als een uitkering van normale reserves en bedraagt de roerende voorheffing 30%.
Een 0%-tarief blijft behouden voor de uitkering van de liquidatiereserves bij vereffening van de vennootschap.
Overzicht van de tarieven vanaf 2026
| Aanlegdatum liquidatiereserve | Uitkeringstermijn | RV-tarief |
|---|---|---|
| Voor 31/12/2025 | ≥ 5 jaar | 5% |
| Voor 31/12/2025 | ≥ 3 jaar | 6,5% |
| Voor 31/12/2025 | < 3 jaar | 20% |
| Na 01/01/2026 | ≥ 3 jaar | 6,5% |
| Na 01/01/2026 | < 3 jaar | 30% |
Als uw financiële planning het toelaat, kunt u overwegen om bestaande liquidatiereserves niet versneld uit te keren. Op die manier blijft u het lagere tarief van 5% genieten. In enkele specifieke gevallen (bijvoorbeeld wanneer de aandeelhouder op korte termijn extra liquiditeiten nodig heeft), kan een uitkering na drie jaar aan 6,5% een te overwegen alternatief zijn.
In het recent aangekondigde begrotingsakkoord van 24 november 2025 is opgenomen dat de verlaagde tarieven met betrekking tot liquidatiereserves en VVPR-bis dividenden zullen stijgen van 15% naar 18%. Normaliter zal er een overgangsmaatregel worden ingevoerd, waardoor een snelle uitkering voor eind 2025 zich niet zou opdringen. Deze maatregel werd nog niet in een effectieve wettekst omgezet, waardoor de praktische uitvoering nog niet bekend is. Hou onze website in het oog voor updates over dit thema.
2. Meerwaardebelasting
De nieuwe meerwaardebelasting behoort tot de meest besproken fiscale onderwerpen van het afgelopen jaar. Hieronder vindt u een beknopt overzicht. Voor een diepgaandere bespreking verwijzen wij naar volgend artikel: Meerwaardebelasting op financiële activa vanaf 2026: impact op beleggers en ondernemers.
Toepassingsgebied
De regels op het vlak van de meerwaardebelasting zijn uitsluitend van toepassing binnen de personen- en rechtspersonenbelasting. Vennootschappen worden niet getroffen door deze maatregel.
De belastingplichtigen zijn natuurlijke personen, vzw’s of stichtingen die eigenaar of blote eigenaar zijn van financiële activa. Het begrip financiële activa wordt ruim geïnterpreteerd en omvat:
- Financiële instrumenten zoals aandelen, obligaties en derivaten
- Bepaalde levensverzekeringsproducten
- Cryptoactiva in de brede zin
- Geldmiddelen, waaronder ook beleggingsgoud.
Verder vallen enkel meerwaarden die voortkomen uit het normaal beheer van het privévermogen onder deze belasting. Meerwaarden die voortkomen uit beroepsactiviteiten of abnormaal beheer worden apart belast.
Tenslotte worden uitsluitend meerwaarden belast die vanaf 1 januari 2026 worden gerealiseerd bij overdrachten onder bezwarende titel. Historische meerwaarden opgebouwd tot en met 31 december 2025 blijven vrijgesteld wanneer zij aan de nodige voorwaarden voldoen, tenzij het gaat om zogenaamde ‘interne meerwaarden’ (zie hierna).
3 regimes
Binnen de nieuwe meerwaardebelasting moet u rekening houden met drie regimes onderscheiden.
1. Interne meerwaarden
Ten eerste zijn er interne meerwaarden, die ontstaan wanneer aandelen worden overgedragen aan een vennootschap waarover de overdrager, eventueel samen met naaste familieleden (tot de tweede graad), controle uitoefent. Dergelijke transacties worden belast aan een vast tarief van 33% zonder enige vrijstelling of uitzondering, ook niet voor historische meerwaarden.
2. Meerwaarden met aanmerkelijk belang
Ten tweede geldt een regime voor aanmerkelijke belangen. Een aandelenparticipatie wordt als een aanmerkelijk belang gezien wanneer de belastingplichtige minstens 20% van de aandelen van een vennootschap bezit. Deze meerwaarden worden progressief belast met tarieven van 0% tot 10%, met een vrijstelling voor de eerste schijf van 1 miljoen euro per periode van vijf jaar.
De 20%-drempel wordt strikt per persoon beoordeeld op het moment van overdracht. Participaties die door verwatering onder 20% zijn gezakt, vallen automatisch buiten dit regime.
Bij overdracht van aandelen in een Belgische vennootschap aan een niet-EER-rechtspersoon met een meerwaarde boven de 1miljoen euro, geldt een afzonderlijk tarief van 16,5%.
3. Standaardregime
Tot slot valt alles wat niet onder deze categorieën valt onder het standaardregime. Dit standaardregime hanteert een vast tarief van 10% en een jaarlijkse (geïndexeerde) vrijstelling van 10.000 euro, die kan oplopen tot maximaal 15.000 euro wanneer deze niet volledig wordt benut.
Berekening meerwaarde
De belastbare meerwaarde wordt bepaald als het verschil tussen de verkoopprijs en de aanschaffingswaarde van de betrokken financiële vaste activa. De verkoopprijs kan bestaan uit geld, effecten of een andere vorm van tegenprestatie. De aanschaffingswaarde is doorgaans de oorspronkelijke aankoopprijs. Kosten en belastingen zoals beurstaks of waarderingskosten worden niet meegenomen in de berekening. Eventuele minderwaarden kunnen alleen in mindering worden gebracht binnen dezelfde categorie en hetzelfde belastbare tijdperk.
Zoals al eerder vermeld, viseert de wetgever enkel de waardegroei vanaf 1 januari 2026. Voor financiële vaste activa die al in bezit waren, geldt 31 december 2025 als uitgangspunt. De waarde op 31 december 2025 kan worden bepaald als volgt:
- Voor beursgenoteerde aandelen: de koers per 31 december 2025
- Voor niet-genoteerde financiële activa, de hoogste van de volgende waarden:
- De prijs betaald door een onafhankelijke derde in 2025 of de waarde gehanteerd bij oprichting of kapitaalsverhoging in 2025
- De waarde bepaald op basis van een formule opgenomen in een contract van aanbod dat nog van toepassing is op 1 januari 2026
- Eigen vermogen plus 4 keer EBITDA van het laatste boekjaar afgesloten voor 1 januari 2026 (vaste formule)
- Een waardering op 31 december 2025 door een bedrijfsrevisor (die niet de commissaris is) of een onafhankelijke gecertifieerde accountant uiterlijk op 31 december 2027.
Eindejaar
Om de belastbare meerwaarde te minimaliseren, raden we u aan per 31 december 2025 geen dividend uit te keren. Winstinhouding kan de waarde van de vennootschap verhogen en de minderwaarde verlagen. Let er wel op dat er voor interne meerwaarden geen vrijstelling geldt van historische meerwaarde. Waardestijgingen door eerdere winsten kunnen bij een interne transactie dus niet belastingvrij worden gerealiseerd. Bijkomend komt de fiscale vrijstelling van de meerwaarde onder druk te staan bij herstructureringen waarbij interne aandelenoverdrachten plaatsvinden terwijl de verkoper controle behoudt, omdat er geen echte eigendomsoverdracht plaatsvindt. Rekening houdend met de aanscherping van de regels, is het verstandig om geplande overdrachten te versnellen of bestaande structuren te herzien. Zo voorkomt u fiscale verrassingen.
Door de aanzienlijke aanpassingen in de nieuwe regels raden wij aan altijd advies in te winnen bij uw fiscaal adviseur. Zo krijgt u correcte informatie en zorgt u ervoor dat u volledig voldoet aan de fiscale verplichtingen.
3. Investeringsaftrek
De investeringsaftrek is een fiscale maatregel die bedrijven aanmoedigt om te investeren in bepaalde nieuwe vaste activa. De investeringsaftrek werd hervormd, waarbij voor investeringen vanaf 1 januari 2025 via drie sporen wordt gewerkt. Per spoor geldt bij wet een vast percentage, ter vervanging van de percentages die in het verleden jaarlijks werden geïndexeerd.
Wij verwijzen u graag naar onze eerder verschenen artikels waarin de investeringsaftrekken uitgebreid worden besproken (De investeringsaftrek in een nieuw jasje vanaf 1 januari 2025). Daarin vindt u ook de bijhorende lijsten met investeringen die voor deze aftrek in aanmerking komen (Nieuwe investeringsaftrek: investeringslijsten op de valreep gepubliceerd).
Rekening houdend met de plannen van de regering om het tarief van 30% voor ‘grote’ vennootschappen in het kader van de verhoogde thematische aftrek op te trekken naar 40% (een tarief dat nu al geldt voor ‘kleine’ vennootschappen), kan het voor investeringen op het vlak van energie, koolstofemissievrij vervoer en andere milieuvriendelijke investeringen nuttig zijn om deze nog even uit te stellen tot de inwerkingtreding van de nieuwe regels.
4. Transfer pricing
In de aanloop naar het eindejaar is het aangewezen om de transferpricingpolitiek (verrekenprijzen) binnen uw onderneming opnieuw onder de loep te nemen. Transfer pricing omvat het geheel van regels dat ervoor moet zorgen dat (verbonden) ondernemingen binnen een internationale groep onderling marktconforme prijzen hanteren en de winsten correct toekennen bij intragroeptransacties.
Het basisprincipe hierbij is dat de toegepaste prijzen marktconform moeten zijn, alsof de transacties tussen onafhankelijke derden plaatsvinden onder dezelfde omstandigheden. Dit staat bekend als het arm’s-length-beginsel. Hoewel prijzen en winsten tussen onafhankelijke ondernemingen doorgaans worden bepaald op basis van zakelijke voorwaarden, ligt dit binnen een ondernemingsgroep minder voor de hand. Intragroepsprijzen en de toerekening van winsten kunnen immers worden gestuurd door fiscale of boekhoudkundige motieven. Dit verhoogt het risico op zowel dubbele belasting als op vormen van belastingontwijking.
Transfer pricing staat al geruime tijd hoog op de agenda van de belastingadministraties in binnen- en buitenland. De manier waarop internationale groepen hun transacties structureren, heeft rechtstreeks invloed op de verdeling van de groepswinst tussen landen en dus op de fiscale ontvangsten van die landen. Voor ondernemingen die geregeld intragroepstransacties verrichten, is het dan ook essentieel een duurzaam en coherent beleid op het vlak van verrekenprijzen uit te werken.
Wij wijzen op bovenstaande aspecten omdat op het einde van het jaar vaak intragroepsverrichtingen tussen ondernemingen worden verwerkt. Het is belangrijk erop toe te zien dat deze verrichtingen afdoende worden onderbouwd, zodat bij een eventuele controle de nodige documentatie kan worden voorgelegd.
5. Voorafbetalingen en tax shelter-investeringen
Als uw vennootschap in de loop van het jaar te weinig voorafbetalingen op het vlak van vennootschapsbelasting heeft gedaan, is een belastingvermeerdering van 6,75% van toepassing. Door tijdig en voldoende vooraf te betalen, kan uw vennootschap deze belastingvermeerdering neutraliseren. Maak dus zeker werk van een optimale voorafbetalingsstrategie!
Voor boekjaren die gelijklopen met een kalenderjaar, is de laatste voorafbetalingsdeadline 22 december 2025.
Ook het regime van tax shelter-investeringen voor de audiovisuele, podium- en videospelensector kan een nuttige aanvulling of alternatief zijn voor uw voorafbetalingsstrategie. Dit geldt zeker als de laatste voorafbetalingsdeadline is verstreken: dan blijkt een tax shelter-investering een nuttig instrument om alsnog een eventuele belastingverhoging (deels) te neutraliseren. Het volstaat immers om voor het jaareinde een raamovereenkomst te ondertekenen, ook al gebeurt de effectieve betaling pas in een volgend boekjaar.
6. Autofiscaliteit
Enkele jaren gelden werden de regels op het vlak van autofiscaliteit sterk gewijzigd in het kader van de vergroening van de mobiliteit.
Een van de scharnierpunten van de inwerkingtreding van deze nieuwe regels is 1 januari 2026. Vanaf deze datum moet u rekening houden met de volgende aandachtspunten:
- De bestaande aftrekregeling blijft behouden voor bedrijfswagens die vóór 1 januari 2023 zijn aangekocht, geleased of gehuurd
- Vanaf aanslagjaar 2026 wordt er in een uitdoofscenario (zie hieronder) voorzien voor bedrijfswagens die zijn aangekocht, geleased of gehuurd tussen 1 juli 2023 en 31 december 2025.
- Vanaf 1 januari 2026 aangekochte, geleasede of gehuurde bedrijfswagens met een CO2-uitstoot hoger dan nul zullen niet langer fiscaal aftrekbaar zijn voor de werkgever.
- Emissievrije bedrijfswagens blijven voor 100% fiscaal aftrekbaar.
- Vanaf 2026 is de afwijkende regeling waarbij voor het woon-werkverkeer de aftrekbare kosten forfaitair op 0,15 euro per kilometer worden bepaald, enkel nog van toepassing voor koolstofemissievrije bedrijfswagens en voor bedrijfswagens die onder de uitdoof- of “grandfathering”-regeling vallen.
Uitdoofscenario
Het hierboven aangehaalde uitdoofscenario houdt in dat de bestaande aftrekregeling tijdelijk toegepast blijft, maar dat daarbij de ondergrenzen van 40 en 50% voor respectievelijk de wagens die minstens 200 gram CO2 per kilometer uitstoten en deze die minder dan 200 gram CO2 per kilometer uitstoten, niet langer zullen gelden.
Verder wordt er een bovengrens van 75% ingevoerd, die in aanslagjaar 2027 verder daalt naar 50%, in aanslagjaar 2028 naar 25%, om uiteindelijk vanaf aanslagjaar 2029 uit te komen op een nul-aftrek.
Vanaf aanslagjaar 2029 vallen personenwagenwagens aangekocht, geleased of gehuurd tussen 1 januari 2023 en 31 december 2025 dus onder de in artikel 66, § 1, eerste lid, WIB 92, bedoelde algemene aftrekregeling.
Uiteraard is dit uitdoofscenario enkel van toepassing op wagens met CO2-uitstoot. Alle emissieloze voertuigen blijven voor 100% aftrekbaar, op welke manier ze ook verworven zijn.
Overweegt u om in de nabije toekomst een nieuwe wagen aan te kopen of te leasen binnen uw vennootschap (in de vorm van een hybride wagen of wagen met brandstofmotor), dan doet u er goed aan om dit nog voor het einde van dit jaar in orde te brengen. Als u dergelijke wagen in 2026 aankoopt of leaset, dan zijn alle hieraan verbonden kosten 100% fiscaal niet-aftrekbaar.
Voor de volledigheid geven wij u mee dat de datum van aankoop van een wagen wordt vastgelegd op datum van de ondertekening van de bestelbon van de wagen. Bij een lease of huur wordt deze vastgelegd op de datum van ondertekening van het lease- of huurcontract.







